Gottfried Benn
In de Trouw van 6 juni 2009 trof ik een recensie aan van het werk van de poeet Gottfried Benn (1886 - 1956). Het vertrekpunt van deze recensie is irritatie over hedendaagse poëzie. De recensent baalt ervan dat er heden ten dage rond poëzie voornamelijk een zweem van gezapigheid en lieflijkheid hangt. Waar men in ieder geval niet aan denkt bij poëzie, is iets wat je irriteert, aantast, aanvreet en waar je wakker van ligt. "Poezie die maakt dat je van woede de bundel door de kamer smijt". Gottfried Benn - in zijn leven onder meer werkzaam als mortuariumarts en aanhanger van Nietzsche - is volgens Trouw zo'n dichter. Met de ogen en de hamer van zijn leermeester overdenkt Benn de wereld, of in dit geval een snijtafeltafereel:
Schöne Jugend
Der Mund eines Mädchens, das lange im Schilf gelegen hatte,
sah so angeknabbert aus.
Als man die Brust aufbrachwar die Speiseröhre so löcherig.
Schließlich, in einer Laube unter dem Zwerchfell
fand man ein Nest von jungen Ratten.
Ein kleines Schwesterchen lag tot.
Die anderen lebten von Leber und Niere,
tranken das kalte Blut und hatten
hier eine schöne Jugend verlebt.
Und schön und schnell kam auch ihr Tod:
Man warf sie allesamt ins Wasser.
Ach, wie die kleinen Schnauzen quietschen!
Mooie jeugd
De mond van een meisje dat lang in het riet gelegen had,
zag er zo afgeknabbeld uit.
Toen men haar borstkas openbrak, zat haar slokdarm zo vol gaten.
Tenslotte vond men in een loge onder het middenrif
een nest met jonge ratten.
Een tenger zusje had de dood gevonden.
De rest leefde van lever en nieren,
dronk het koude bloed en had
hier een mooie jeugd achter de rug.
En mooi en snel kwam ook hun dood:
men wierp ze allemaal het water in.
Hoe de kleine snuiten piepten!
Guillaume van der Graft
Hoe anders bekijkt Guillaume van der Graft (1920) - theoloog, predikant en poëet - de wereld:
Vragenderwijs
Ik vroeg het aan de vogels
de vogels waren niet thuis
ik vroeg het aan de bomen
hooghartige bomen
ik vroeg aan het water
waarom zeggen ze niets
het water gaf geen antwoord
als zelfs het water geen antwoord geeft
hoewel het zoveel tongen heeft
wat is er dan
wat is er dan
er is alleen een visserman
die draagt het water
onder zijn voeten
die draagt een boom
op zijn rug
die draagt op zijn hoofd een vogel.
De zinloosheid van de natuur
Hoe anders de conclusies van de twee schrijvers ook mogen zijn, in eerste instantie aanschouwen beiden de natuur en zien... niets. Van der Graft ziet geen lof aan God, geen heenwijzingen naar Zijn wijsheid, geen zin of andersoortige antwoorden. De vogels, die volgens zovelen Gods grootheid aantonen, zeggen niets. De bomen en het water zijn ook stil. De natuur lijkt neutraal. "Waarom zeggen ze niets?" De natuur is blijkbaar stil, neutraal en zonder zingeving.
Gottfried Benn beschrijft niet de ervaring van de zinloosheid van de natuur als zodanig. Maar als we zijn bekering tot Nietzsches filosofie even in gedachten houden, dan is het plausibel om aan te nemen dat ook hij in de natuur niets anders ziet dan een neutrale, waardenloze machtsstrijd van alles wat leeft. Van daaruit denkt hij verder over deze snijtafel. En dat verder denken doet hij meedogenloos. De intrinsieke waardenloosheid van de dingen wordt tot in haar uiterste consequenties doordacht: meisje of rat, 't is maar hoe je het bekijkt. En zo wordt iedereen met een Nietzscheaans (of - als ik zo vrij mag zijn - 'naturalistisch') wereldbeeld dat stiekem nog niet van alle empathie of hoop op zingeving is gezuiverd, in zijn of haar maag gestompt. Hier worden de naturalistische mannen van de jongetjes gescheiden. En als jij tot de jongetjes behoort, dan smijt je de bundel misschien wel boos en wanhopig door de kamer. Zoals de recensent van Trouw dat deed, die zich dus misschien wel heeft laten kennen als een Nietzscheaans watje.
God en de natuur
Als de vogels verwijzen naar God die we toch 'goed' noemen, waarom vreten ze dan zonder enige schroom de wormen op? Als in de natuur, Gods waarden, Gods bedoeling of God zelf gevonden kunnen worden, waarom geldt daar dan het principe van 'survival of the fittest'? God verklaart zich in de Bijbel allesbehalve de belangenvertegenwoordiger van de fittest. Als de natuur Gods Hand laat zien, waarom zijn zowel goeden als slechten, sterken als zwakken dan slachtoffer van aardbevingen? Als we God kunnen kennen uit de natuur, waarom kent de natuur dan geen onderscheid in goed en kwaad, in zin en zinloosheid? Als we God kunnen kennen uit de natuur, waarom antwoordt ze dan niet?
Guillaume van der Graft komt met een opening: via de Visserman krijgt de waardenloze natuur (en wat Theo de Boer betreft ook de geschiedenis) een nieuwe zinvolle plek. Maar die stap vergt nog heel wat meer getheologiseer. Stof voor een later schrijven.
0 reacties:
Een reactie plaatsen