Als causaliteit werkelijk bestaat (6), kan de vrije wil niet gedacht worden (1). Toch menen we een vrije wil te hebben. Waar is die vrije wil dan? (3)
Immanuel Kant stelde dat causaliteit niet per se een eigenschap van zaken in deze wereld is, die wij kunnen ontdekken, maar - andersom - een soort van 'ingeschapen' ordeningsprincipe van ons denken is. Causaliteit zit niet in de dingen, maar in ons brein, waarbuiten we niet kunnen. Kennis van het 'ding op zichzelf' kunnen we dus niet hebben, omdat we altijd via de principes van ons brein (tijd, ruimte, causaliteit en nog wat) op een voorgesorteerde manier naar de werkelijkheid kijken.
Maar als het klopt dat causaliteit een ordeningsprincipe van ons denken is, dan is de vraag naar causaliteit, zoiets als als een vis die zich afvraagt hoe het kan dat hij in het water is: die vraag kan de vis niet stellen, bij gebrek aan iets wat niet-water is.
Als causaliteit een vast onderdeel van ons brein-bestel is, hoe bestaat het dat wij onszelf kunnen afvragen of causaliteit werkelijkheid is? (9)
En... omdat de vrije wil in een causaal bepaalde werkelijkheid niet kan bestaan, is het misschien wel een interessantere vraag hoe we ooit op het idee vrije wil konden komen dan of de vraag naar of we er 1 hebben.
-----------
1. Bijvoorbeeld door de vrije wil in een noumenale werkelijkheid te plaatsen, zoals Kant deed, of door gewoon de noodzakelijkheid van het bestaan van de vrije wil voor ons mens-zijn te benadrukken. Wat ik bedoel is dat de vrije wil niet op een immanente manier kan worden aangetoond.
3. Deze gebeurtenis - als je ergens over nadenkt, dan verdwijnt het (7) - overkomt me de laatste tijd vaker. Erg irritant zo'n tantaluskwelling. Vooral als je over 'jezelf' nadenkt en dan tot de wanhopige conclusie komt, dat je niet meer weet wie je bent. Ik denk daarbij wel eens aan de overeenkomst Hannah Arendt die over 'het kwaad' nadacht en tevens achter een schim blijkt aan te rennen. Ik heb (zonder Arendt zelf gelezen te hebben) 'de banaliteit van het kwaad' namelijk altijd zo begrepen dat het kwaad 'immanenter' is dan we dachten of hoopten (4). Oftewel: het kwaad is ook causaal bepaald. (Dus dan weten we in ieder geval waar het kwaad uitspookt, namelijk bij de vrije wil, achter het determinisme :)
Nadenken over 'tijd' levert ook zo'n soort ervaring op. Augustinus zei zoiets: ik weet wat tijd is, totdat iemand het me vraagt, dan weet ik het niet meer.
En tot de 'als-je-er-over-nadenkt-verdwijnt-het-ervaringen' reken ik ook het heel hard nadenken over wat je proeft als je iets eet. Als je heel hard jezelf gaat afvragen wat je nu eigenlijk proeft, en wel deeltje van je tong daarbij nu ingeschakeld wordt en wat smaak eigenlijk is, etc... dan proef je niets meer.
4. Ook al leven we in een geseculariseerde cultuur; aan zaken waar we veel achting voor hebben, verbinden we nog maar al te graag een transcendentale status. Niet alleen zaken die in positieve zin onze achting opwekken, zoals de geboorte van een kind, de natuur, bepaalde kunstuitingen, maar ook zaken zoals de holocaust, martelingen, verkrachtingen etc. Die transcendentale status verbindt men aan iets door te benadrukken dat ze echt geen verklaring voor zoiets hebben. Op die manier ontstaat er rond die zaak een soort aura van het wonder. Een voorbeeld: men toont de hoogste achting voor Auschwitz door je onbegrip te uiten: 'hoe bestaat het dat het ooit zover heeft kunnen komen!!?? Daar kan ik met mijn gedachten écht niet bij!'
Wie gaat verklaren, oorzaak gevolg probeert aan te tonen, doet per definitie (5) het wonder teniet en daarmee dus een stuk achting.
Ik begrijp daarom ook het feit dat een film zoals 'Der Untergang' - waarin Hitler begrijpelijk en behept met ook zijn goede kanten (ergo: immanent) wordt neergezet - dáárom controversieel is, omdat zo aan zijn transcendentale status als 'Lucifer in eigen persoon' getornd wordt. Ook het controversieel zijn van het onderzoek van Hannah Arendt naar Eichmann past hierin.
Mijn inziens staat die transcendentale status van het kwaad in de weg van het begrijpen ervan. Begrijpen dat het kwaad kan zitten in zoiets 'immanents' als:
- het op tijd laten rijden van treinen;
- het beïnvloedbaar zijn door propaganda;
- het beïnvloedbaar zijn door het vooruitzicht op economisch perspectief;
- vatbaar zijn voor kuddegedrag;
kan misschien veel kwaad voorkomen. Het lijkt me in ieder geval een voorwaarde voor het op een goede manier op je hoede zijn voor het kwaad in jezelf.
5. De definitie van wonder omvat dan zoiets als 'dat wat niet verklaard kan worden'. Theologisch en filosofisch bestaan er tegen deze definitie natuurlijk bezwaren. Dit doet echter niet teniet dat ons taalgebruik (zoals zojuist geschetst) het wonder of het transcendente wel wordt verbonden met zaken waar geen verklaring voor is. Oftewel, in de praktijk ervaart men (onder meer) daar het wonder/het transcendente waar geen verklaring is.
6. Je kunt je wel degelijk afvragen, of de natuur überhaupt wel causaliteit kent.
a. Hume heeft aangetoond dat we causaliteit niet kunnen bewijzen of waarnemen (2);
b. Verder heb je nog de 'fundamentele onzekerheid' uit de kwantummechanica waarvan het schijnt dat deze vraagtekens bij het idee 'causaliteit' stelt.
Hoe dan ook, het idee causaliteit maakt de wereld deterministisch en berooft ons van de vrije wil en ik zie niet in dat het ontbreken van causaliteit (bijvoorbeeld door rede a of b of wat voor rede dan ook) ons wél aan een vrije wil zou kunnen helpen. Geen vrije wil dus.
7. Misschien (8) is deze ervaring de ingang voor de fenomenologie. Het wezen van iets proberen te vinden door erover na te denken of te theoretiseren doet je het zicht verliezen op het object. Ik ben mezelf zolang ik niet nadenk over de vraag wie of wat ik nu echt ben. Als ik begin met nadenken, dan weet ik niet meer wie ik ben.
8. Laten we onszelf maar eens bespieden en afluisteren, in de minuten waarin we een stelling horen of aantreffen die nieuw voor ons is. Misschien bevalt zij ons niet, omdat zij er zo eigengerechtig bijstaat: onbewust vragen we ons af of we het tegendeel ervan er niet als vijand aan vast kunnen knopen, of we er niet een 'misschien', een 'soms' aan kunnen toevoegen; zelfs het woordje 'waarschijnlijk' schenkt ons genoegdoening omdat het de voor onze persoon hinderlijke tirannie van het categorische breekt. Als die nieuwe stelling daarentegen in een mildere vorm optrekt, fijngevoelig, verdraagzaam en deemoedig, alsof zij de tegenspraken al in de armen valt, proberen we het met een ander staaltje van onze eigengerechtigheid: wat denk je, kunnen we dit zwakke wezen niet te hulp schieten, het strelen en voeden, het kracht en volheid, ja waarheid en zelfs onvoorwaardelijkheid verlenen?
Citaat van Nietzsche uit "Menschliches, allzumenschliches" zoals geciteerd in Safranski, 'Nietzsche', 2010, p. 175.
9. Ergens vind ik deze vraag lijken op de vraag: hoe kan het dat wij zover zijn geëvolueerd dat we onszelf nu kunnen afvragen wat het het doel of de zin van evolutie is? We zijn geëvolueerd tot wezens die tot de conclusie komen dat ze geen zin hebben om zichzelf voort te planten. Hoe absurd.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
0 reacties:
Een reactie plaatsen