Transsubstantiatie
Toen Jezus voor zijn stervensavond zijn laatste avondmaal op aarde nuttigde, samen met zijn leerlingen, sprak hij volgens Mattheus de volgende woorden (Mattheus 26:26-28)
26 Toen ze verder aten nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood en gaf de leerlingen ervan met de woorden: ‘Neem, eet, dit IS mijn lichaam.’ 27 En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker met de woorden: ‘Drink allen hieruit, 28 dit IS mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden.
en volgens Lucas (Lucas 22:19-20)
19 En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit IS mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ 20 Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt.
en in Johannes 6:48-58 spreekt Jezus over zijn lichaam op deze manier:
48 Ik ben het brood dat leven geeft. 49 Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. 50 Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. 51 Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’ 52 Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’ 53 Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. 54 Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken. 55 Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. 56 Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem. 57 De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij. 58 Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven.’
Jezus geeft ons hier dus de opdracht om in zijn gedachtenis regelmatig brood en wijn met elkaar te delen. En het brood en de wijn zijn op een bepaalde manier zijn lichaam en zijn bloed. Dus dat herdenken via het brood en de wijn, dat doen christenen. Zowel katholieken als protestanten, maar zij verschillen in de manier waarop ze dit Heilig Avondmaal theologisch onder woorden brengen. Waarin verschillen zij? Zo wil ik weten. Nu, het verschilt in meerdere aspecten, maar één ervan is de katholieke 'transsubstantiatieleer' die in de protestantse kerken niet beleden wordt. Mensen die een klein beetje bekend zijn met dit woord beschrijven het meestal zo: transsubstantiatie betekent dat het wijn en het bloed tijdens het avondmaal (eucharistie) 'echt' in het lichaam en bloed van Jezus veranderen. In katholiek theologisch taalgebruik noemt men dit niet 'echt' maar 'wezenlijk' of 'essentieel' of liever nog 'substantieel'. Wat is dat, 'substantieel'? En wat is de betekenis van dit 'echt' als we toch moeten constateren dat het brood er tijdens de mis nog steeds uitziet als brood, proeft als brood, ruikt als brood? Daar gaat de transsubstantiatieleer over.
Griekse filosofie
En om dat te begrijpen, moet je eigenlijk terug naar oude Griekse filosofen. En dan met name Aristoteles. Zoals veel Griekse filosofen was ook hij gefascineerd door het thema 'verandering en onveranderlijkheid' of 'beweging en identiteit' of 'eenheid in veelheid'. Dit is het beste uit te leggen aan de hand van een voorbeeld1.
Een rivier is nooit hetzelfde. Hij krijgt steeds nieuw water, de stenen op de bodem worden door het water verplaatst, de oevers veranderen beetje bij beetje en ook de hele loop van een rivier kan over de tijd wijzigen. Toch herkennen we de rivier als een specifieke rivier. Bijvoorbeeld de IJssel. En zo is het met alles. Pietje is geen dag hetzelfde, hij groeit, hij verandert van karakter, laat zijn haar knippen en toch weten we dat Pietje Pietje is en niet iemand anders. Kortom: alles verandert maar is toch ook ergens hetzelfde. Als er niet zoiets zou zijn als 'hetzelfde' of 'constantheid' dan zou er geen herkenning mogelijk zijn. Dan zouden we niet kunnen bepalen wat bij 'dezelfde' soort hoort. We zouden geen categorieen kunnen bedenken, want er is geen 'hetzelfde', etc. Maar dit levert een paradox op: aan de ene kant kan men niet twee keer in dezelfde rivier stappen, aan de andere kant kan men wel twee keer in dezelfde rivier stappen. Dat is tegenstrijdig en dus is er een probleem. (Tenminste, voor filosofen.)
Je kunt dit probleem op verschillende manieren oplossen. Bijvoorbeeld door gewoon te zeggen dat 'identiteit' of 'onveranderlijkheid' of 'eenheid' slechts een illusie is. Dit deed Heraclites en daar komt zijn stelling vandaan dat 'Alles stroomt'. Panta rhei. Je kunt ook het omgekeerde stellen, dat beweging of verandering eigenlijk een illusie is. Dit deed Parmenides en eigenlijk ook Plato. Volgens Plato waren alle aardse, veranderlijke dingen slechts afspiegelingen van eeuwige, meer werkelijke, onveranderlijke Vormen. (Maar dat voert hier te ver.)
Aristoteles was met een ontkenning van één van de twee delen van de paradox niet tevreden en ontwikkelde een filosofie die beiden, identiteit en verandering, een plek bood.
Ousia en accidentes
Om dit te doen maakte hij verschil tussen het onveranderlijke wezen van iets en de veranderlijke 'toevallige' eigenschappen van dat iets. Toevallige eigenschappen zijn die eigenschappen van een ding - laten we zeggen een appel - die niet noodzakelijk zijn voor het wezen van dat ding. Die noodzakelijkheid kun je opvatten op twee manieren. Zo is het niet-noodzakelijk voor een appel om rood te zijn in die zin dat je ook groene appels hebt. Daarom is voor een appel het rood zijn een toevalligheid of een 'accident', om hier het naar Latijn vertaalde woord van Aristoteles te gebruiken. Er zijn volgens Aristoteles negen van dit soort accidentes, zoals hoeveelheid, hoedanigheid, kwaliteit (daaronder valt kleur) en gesitueerdheid in ruimte en tijd. Die accidentes zijn ook nog op een andere manier niet-noodzakelijk: ze kunnen niet op zichzelf bestaan. Een hoeveelheid, hoedanigheid of kwaliteit is dit altijd van 'iets'. Zo is 'rood' of '3' niet op zichzelf iets, (ik ben nog nooit een rood of een 3 tegengekomen) maar spreekt men altijd over een rood iets.
Er is dus iets nodig dat rood is. Iets wat alle toevalligheden of accidentes van een ding 'draagt' en wat zelf niet toevallig maar noodzakelijk is, wat dus niet verandert en daarmee de appel zijn identiteit als appel bezorgt. Aristoteles noemt dit noodzakelijke 'iets', deze onveranderlijke drager van accidentes, de 'essentie' of het 'wezen'. In het Grieks 'Ousia'. In het Latijn 'Substantia'. Transsubstantiatie heeft met deze substantia te maken.
Aquino
De term 'transsubstantiatie' werd gemunt door het 4e Lateraanse concillie in 1215. Het benadrukken van een bepaalde mate van echtheid van de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus was echter al eerder dan dat een thema in de christelijk kerk. Ook het woord 'Ousia' circuleerde al langer in het kerkelijk jargon, bijvoorbeeld om de drie-eenheid mee uit te drukken: drie hypostasis in één ousia. (Deze 'ousia' schijnt dan echter niet op z'n aristotelisch te functioneren.)
Hoe dan ook, Thomas van Aquino was fan van Aristoteles en de Katholieke kerk was (eerst niet, later wel) fan van Thomas van Aquino. Thomas van Aquino nam Aristoteles' ontologie, het substantia-accidentes idee, over en deze ontologie werd beslissend in het duiden van het Heilig Avondmaal. Dit gaat als volgt:
Wat betekent het nu dat Jezus zegt dat het brood zijn lichaam IS, terwijl we toch echt moeten vaststellen dat het brood tijdens de mis er nog uit ziet als brood, voelt als brood, proeft als brood? Dit kunnen we nu op deze manier begrijpen: tijdens een correct uitgevoerde mis, verandert de substantie van het brood en de wijn in de substantie van het lichaam en het bloed van Christus. De uiterlijke, veranderlijke verschijningsvormen - de accidentes - blijven hetzelfde. Dus het brood en de wijn ruiken, proeven, zien eruit als brood en wijn, maar dit zijn slechts de accidentes. Daaronder is er wel degelijk sprake van een 'echte' verandering. De substantie, het werkelijke, het wezenlijke, de essentie is veranderd van brood naar lichaam, van wijn naar bloed.
En soms worden kerkgangers door een wonder verrast doordat ook de accidentes van brood en wijn tijdelijk opgeheven worden. Bij zo'n wonder zien we dus ook werkelijk het lichaam en bloed van Christus. Er duiken in de katholieke kerkgeschiedenis verschillende vermeldingen van dit soort 'bloedwonderen' op, zoals bijvoorbeeld in Meerssen in 1222.
Nuance
De katholieke kerk heeft hierbij een belangrijke nuance gemaakt. Transsubstantiatie is geen onfeilbaar leerstuk, geen dogma, maar een feilbare, menselijke verwoording van het mysterie van de verandering die tijdens de eucharistie optreedt. Van alle pogingen om het gebeuren tijdens de eucharistie te verwoorden (er zijn meerdere pogingen geweest zoals bijvoorbeeld 'consubstantiatie') is de transsubstantiatie welliswaar de beste tot nu toe, aldus Johannes Paulus II in zijn Eclessia de Eucharistia, maar het blijft een mysterie dat nooit volledig adequaat beschreven kan worden.
Taal
Achter het woordje 'echt' van een 21e-eeuwse katholiek, blijkt een wereld van taal en filosofie schuil te gaan. Zoals achter al onze begrippen veronderstellingen en filosofische aannames schuil gaan. Zelfs onze meest vertrouwde en neutraal lijkende begrippen blijken hele bouwwerken van interpretatie in zich te herbergen. Ik denk aan Charles Taylors boek over 'het zelf' in moderne tijden2. Ons 'zelf' is volgens hem bijvoorbeeld puntvormig, we lokaliseren dat zelf in ons en het is onthecht. En dat alles is niet altijd zo geweest. Of dan ons begrip van het woord 'tijd' dat volgens Taylor3 is veranderd van wat hij noemt kairos naar chronos en wat een compleet andere tijdsbeleving met zich heeft meegebracht. Ik denk aan een interview met Trudy Dehue4, naar aanleiding van haar boek 'De depressie-epidemie' waarin ze betoogt dat in slechts dertig jaar het begrip depressie op ongeveer de tegenovergestelde mensen wordt geplakt: van 'mensen die het lot in eigen hand proberen te nemen' tot 'mensen die niet in staat zijn om het lot in eigen hand te nemen'. En ik denk aan het betoog van Paul van Tongeren dat er niet altijd een woord is geweest voor ons vermogen om iets te willen. De wil heeft volgens hem niet altijd bestaan, maar moest worden 'ontdekt'. En pas bij Augustinus5 gebeurt dat, al waren er bij de Grieken misschien wel vermoedens van de wil6.
Al deze filosofische dan wel taalkwesties leveren interessante vragen op. Kun je nog een goed katholiek zijn als je de ontologie van Aristoteles verwerpt? of niet kent? (Dat het uiteindelijk een 'mysterie' is, biedt hier mogelijk een uitweg.) Zeggen katholieken nog hetzelfde als zij in de 21e eeuw belijden dat op de één of andere manier een 'echte' verandering optreedt? En zeggen christenen hetzelfde als we in de 21e eeuw de drie-eenheid - drie hypostasis in één ousia - hertalen met 'drie personen'?
En is het erg als we niet hetzelfde zeggen? Interessante vragen voor de kerk van alle tijden, zo lijkt me.
------------------------------
1 Ik ontleen voor deze paragraaf veel aan Van Woudenberg's boek gelovend denken waarin hij de Grieken hieromtrent ook uitlegt.
Woudenberg, van R. 2004. 'Gelovend denken'. Buijten en Schipperheijn B.V.
2Taylor, C. 'Bronnen van het zelf'. (Rotterdam: Lemniscaat, 2e druk 2009).
3Taylor, C. 'Een seculiere tijd'. (Rotterdam: Lemniscaat, 2e druk 2010). p 107-115
4Interview met Trudy DeHue, naar aanleiding van haar boek 'De depressie-epidemie' in:
Ebbers, J. en Helder, J. (2011) "de depressie epidemie", Sophie, jrg. 1. nr. 5
5Tongeren, P.J.M. Van. 'Geluk, deugd, plicht, keuze. Acht colleges over de geschiedenis van de ethiek'. (Nijmegen: Roelants, 2007).
6Vernant, J.P. 'Intimations of the Will in Greek Tragedy. in: Vernant, J.P & Vidal-Naquet, P. (eds.), 'Myth and Tragedy in Ancient Greece'. (New York: Zone Books, 1990). p. 49-84.
2 reacties:
Interessant Gerb, je weet het helder uit te leggen, zeer leerzaam! Maar wel beetje open einde, is dit nou een filosofische cliffhanger?
Groetjes, Maaike
Hee Maaike,
Tanks!
En ja... Ik gebruik een blog eigenlijk vooral om na te denken. Ik pas ze steeds aan, schrijf ze eerst half, later voeg ik dingen toe. Etc. Ik wil nog even het protestantse verhaal uitleggen, en eigenlijk ook nog wat schrijven over 'taal en begrip' maar daar ben ik dus nog wel even mee bezig.
Alles goed daar in Amman?
Groetjes,
Een reactie plaatsen