donderdag 10 november 2011

Fucking Gouden Kalf

Nasrdin Dchar won een Gouden Kalf voor beste acteur, voor zijn rol in de film Rabat. En tot veler vreugde gebruikte hij deze gelegenheid om rechts Nederland een veeg uit de pan te geven, met deze woorden:

"Tegen minister Verhagen zou ik willen zeggen, en tegen Wilders en al die anderen: Ik ben een Nederlander. Ik ben trots op mijn Marokkaans bloed. Ik ben een moslim en ik sta hier met een fucking Gouden Kalf in mijn hand."

Tenminste een deel van Nederland vond dat er een spijker op z'n kop werd geslagen met deze woorden. Hij kreeg er veel lof voor toegezwaaid. De kranten, de opiniebladen, het nieuws, Pauw en Witteman en DWDD schonken er ook nog even aandacht aan. Hij werd uiteraard ook al bekritiseerd (bijvoorbeeld op de site van Elsevier), maar dat euforie-achtige gevoel dat herkende ik eerlijk gezegd ook wel.
Maar als dat is bezonken, dan vraag ik mij af waarom hij zo nodig die aspecten van zijn persoonlijkheid door de zaal moet scanderen en wat het is dat mij daarbij, naast een beetje euforie, zo'n unheimisch gevoel geeft.

Hannah Arendt
En ik heb het idee dat bij die vraag een citaat van Hanna Arendt heel veel licht op de zaak werpt. Hannah Arendt was een joodse filosofe die onder meer het volgende heeft gezegd:

"Wie als jood wordt aangevallen, moet zich als jood verdedigen."

Als mens heb je over het algemeen vele identiteiten. Als ik mezelf neem... ik ben iemand die houd van lezen en nadenken, ik ben christen, ik ben vader, getrouwd, brildrager, Nederlander, ik voel me op integratiegebied 'links' en op het gebied van overheidsbemoeienis 'rechts'. Al die aspecten van mijn persoonlijkheid maken mij tot wie ik ben. Variërend in de tijd en afhankelijk van allerlei omgevingsfactoren, speelt een aspect van mijn identiteit een belangrijke of minder belangrijke rol. Zo is op dit moment mijn identiteit als brildrager helemaal niet belangrijk voor mij. Maar dit kan veranderen.

De Rode Khmer in Cambodja bijvoorbeeld, beschouwde brildragers als intellectuelen; bourgeoisie die uit de weg moesten worden geruimd. Brildragers waren vijanden en zij waren hun leven niet zeker. Nou reken maar dat ik in zo'n situatie mij een ontzettende brildrager voel. Dat mijn hele ik erdoor gestempeld zal worden. Dat ik ofwel uit zelfbehoud lenzen zal nemen, ofwel dat ik zal radicaliseren en mijn brildragerschap te vuur en te zwaard zal verdedigen. Welke van deze ik ook kies; nu word ik voor een groot gedeelte gedefinieerd door mijn identiteit als brildrager en ik zal angst of haat ontwikkelen voor niet-brildragenden als potentiële haters van brildragenden.

De identiteit van Dchar heeft ongetwijfeld ook meerdere aspecten. Hij is acteur, moslim, Marokkaan en geen-brildragende. Wat brengt hem ertoe om zijn Morokkaans en Moslim zijn zo te benadrukken en zijn ouders in het Arabisch te bedanken? Op een filmprijsuitreiking nota bene. Je zou denken dat het benadrukken van je identiteit als acteur hier meer voor de hand ligt.

In het licht van de stelling van Hannah Arendt is dit echter prima te begrijpen. Dchar voelt zich in zijn dagelijks bestaan aangevallen als Morokkaan en Moslim en wordt daardoor gedwongen om als zodanig te reageren. En je Marokkaanse identiteit kun je niet vervangen door lenzen. Dus aanvallen - in dit geval mild - is je enige optie.

De maatschappij, Wilders en zijn agenda bepalende haatretoriek voorop, praat alleen maar negatief over Marokkanen en Moslims. En nog los van de vraag of dit mag in de zin van vrijheid van meningsuiting... Helpt het ook?

Zullen allochtonen (de meesten zijn overigens zoveelste generatie Nederlanders) hierdoor meer zin krijgen in integreren? Zullen ze warmere gevoelens gaan koesteren voor Nederland en hopen dat ze daarbij mogen horen? Helpt het wanneer Donner nu eens goed proclameert dat de multiculturele samenleving failliet is? Zal dat helpen om allochtonen achter hun linies, uit hun zuil, vandaan te krijgen om zich op een positieve manier met de maatschappij te bemoeien?

Natuurlijk niet. Als je wordt aangevallen als Marokkaanse moslim, dan kun je je alleen maar verdedigen als Marokkaanse moslim. Je zult je nog meer Marokkaans en nog meer moslim voelen. Je zult je nog meer afzetten tegen de Nederlandse cultuur, in plaats van integreren. Je zult je afzetten tegen de mensen die jouw minaretten en hoofddoekjes niet moeten. Je zult kaas gaan haten. Kortom: je zult de behoefte krijgen om bij een filmprijsuitreiking te scanderen dat je Marokkaans en moslim bent. En daarin, in het feit dat Dchar zich daartoe geroepen voelt, zie ik weinig positiefs.

En na al deze grote prietpraat wil ik nog even zeggen dat er allerlei flauwe opmerkingen te maken zijn bij het gegeven dat een moslim een Gouden Kalf begeert...

woensdag 14 september 2011

transsubstantiatie

Transsubstantiatie
Toen Jezus voor zijn stervensavond zijn laatste avondmaal op aarde nuttigde, samen met zijn leerlingen, sprak hij volgens Mattheus de volgende woorden (Mattheus 26:26-28)

26 Toen ze verder aten nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood en gaf de leerlingen ervan met de woorden: ‘Neem, eet, dit IS mijn lichaam.’ 27 En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker met de woorden: ‘Drink allen hieruit, 28 dit IS mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden.

en volgens Lucas (Lucas 22:19-20)

19 En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit IS mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ 20 Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt.

en in Johannes 6:48-58 spreekt Jezus over zijn lichaam op deze manier:

48 Ik ben het brood dat leven geeft. 49 Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven. 50 Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet. 51 Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’ 52 Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’ 53 Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u. 54 Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken. 55 Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank. 56 Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem. 57 De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij. 58 Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven.’

Jezus geeft ons hier dus de opdracht om in zijn gedachtenis regelmatig brood en wijn met elkaar te delen. En het brood en de wijn zijn op een bepaalde manier zijn lichaam en zijn bloed. Dus dat herdenken via het brood en de wijn, dat doen christenen. Zowel katholieken als protestanten, maar zij verschillen in de manier waarop ze dit Heilig Avondmaal theologisch onder woorden brengen. Waarin verschillen zij? Zo wil ik weten. Nu, het verschilt in meerdere aspecten, maar één ervan is de katholieke 'transsubstantiatieleer' die in de protestantse kerken niet beleden wordt. Mensen die een klein beetje bekend zijn met dit woord beschrijven het meestal zo: transsubstantiatie betekent dat het wijn en het bloed tijdens het avondmaal (eucharistie) 'echt' in het lichaam en bloed van Jezus veranderen. In katholiek theologisch taalgebruik noemt men dit niet 'echt' maar 'wezenlijk' of 'essentieel' of liever nog 'substantieel'. Wat is dat, 'substantieel'? En wat is de betekenis van dit 'echt' als we toch moeten constateren dat het brood er tijdens de mis nog steeds uitziet als brood, proeft als brood, ruikt als brood? Daar gaat de transsubstantiatieleer over.

Griekse filosofie
En om dat te begrijpen, moet je eigenlijk terug naar oude Griekse filosofen. En dan met name Aristoteles. Zoals veel Griekse filosofen was ook hij gefascineerd door het thema 'verandering en onveranderlijkheid' of 'beweging en identiteit' of 'eenheid in veelheid'. Dit is het beste uit te leggen aan de hand van een voorbeeld1.

Een rivier is nooit hetzelfde. Hij krijgt steeds nieuw water, de stenen op de bodem worden door het water verplaatst, de oevers veranderen beetje bij beetje en ook de hele loop van een rivier kan over de tijd wijzigen. Toch herkennen we de rivier als een specifieke rivier. Bijvoorbeeld de IJssel. En zo is het met alles. Pietje is geen dag hetzelfde, hij groeit, hij verandert van karakter, laat zijn haar knippen en toch weten we dat Pietje Pietje is en niet iemand anders. Kortom: alles verandert maar is toch ook ergens hetzelfde. Als er niet zoiets zou zijn als 'hetzelfde' of 'constantheid' dan zou er geen herkenning mogelijk zijn. Dan zouden we niet kunnen bepalen wat bij 'dezelfde' soort hoort. We zouden geen categorieen kunnen bedenken, want er is geen 'hetzelfde', etc. Maar dit levert een paradox op: aan de ene kant kan men niet twee keer in dezelfde rivier stappen, aan de andere kant kan men wel twee keer in dezelfde rivier stappen. Dat is tegenstrijdig en dus is er een probleem. (Tenminste, voor filosofen.)

Je kunt dit probleem op verschillende manieren oplossen. Bijvoorbeeld door gewoon te zeggen dat 'identiteit' of 'onveranderlijkheid' of 'eenheid' slechts een illusie is. Dit deed Heraclites en daar komt zijn stelling vandaan dat 'Alles stroomt'. Panta rhei. Je kunt ook het omgekeerde stellen, dat beweging of verandering eigenlijk een illusie is. Dit deed Parmenides en eigenlijk ook Plato. Volgens Plato waren alle aardse, veranderlijke dingen slechts afspiegelingen van eeuwige, meer werkelijke, onveranderlijke Vormen. (Maar dat voert hier te ver.)

Aristoteles was met een ontkenning van één van de twee delen van de paradox niet tevreden en ontwikkelde een filosofie die beiden, identiteit en verandering, een plek bood.

Ousia en accidentes
Om dit te doen maakte hij verschil tussen het onveranderlijke wezen van iets en de veranderlijke 'toevallige' eigenschappen van dat iets. Toevallige eigenschappen zijn die eigenschappen van een ding - laten we zeggen een appel - die niet noodzakelijk zijn voor het wezen van dat ding. Die noodzakelijkheid kun je opvatten op twee manieren. Zo is het niet-noodzakelijk voor een appel om rood te zijn in die zin dat je ook groene appels hebt. Daarom is voor een appel het rood zijn een toevalligheid of een 'accident', om hier het naar Latijn vertaalde woord van Aristoteles te gebruiken. Er zijn volgens Aristoteles negen van dit soort accidentes, zoals hoeveelheid, hoedanigheid, kwaliteit (daaronder valt kleur) en gesitueerdheid in ruimte en tijd. Die accidentes zijn ook nog op een andere manier niet-noodzakelijk: ze kunnen niet op zichzelf bestaan. Een hoeveelheid, hoedanigheid of kwaliteit is dit altijd van 'iets'. Zo is 'rood' of '3' niet op zichzelf iets, (ik ben nog nooit een rood of een 3 tegengekomen) maar spreekt men altijd over een rood iets.

Er is dus iets nodig dat rood is. Iets wat alle toevalligheden of accidentes van een ding 'draagt' en wat zelf niet toevallig maar noodzakelijk is, wat dus niet verandert en daarmee de appel zijn identiteit als appel bezorgt. Aristoteles noemt dit noodzakelijke 'iets', deze onveranderlijke drager van accidentes, de 'essentie' of het 'wezen'. In het Grieks 'Ousia'. In het Latijn 'Substantia'. Transsubstantiatie heeft met deze substantia te maken.

Aquino
De term 'transsubstantiatie' werd gemunt door het 4e Lateraanse concillie in 1215. Het benadrukken van een bepaalde mate van echtheid van de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus was echter al eerder dan dat een thema in de christelijk kerk. Ook het woord 'Ousia' circuleerde al langer in het kerkelijk jargon, bijvoorbeeld om de drie-eenheid mee uit te drukken: drie hypostasis in één ousia. (Deze 'ousia' schijnt dan echter niet op z'n aristotelisch te functioneren.)

Hoe dan ook, Thomas van Aquino was fan van Aristoteles en de Katholieke kerk was (eerst niet, later wel) fan van Thomas van Aquino. Thomas van Aquino nam Aristoteles' ontologie, het substantia-accidentes idee, over en deze ontologie werd beslissend in het duiden van het Heilig Avondmaal. Dit gaat als volgt:

Wat betekent het nu dat Jezus zegt dat het brood zijn lichaam IS, terwijl we toch echt moeten vaststellen dat het brood tijdens de mis er nog uit ziet als brood, voelt als brood, proeft als brood? Dit kunnen we nu op deze manier begrijpen: tijdens een correct uitgevoerde mis, verandert de substantie van het brood en de wijn in de substantie van het lichaam en het bloed van Christus. De uiterlijke, veranderlijke verschijningsvormen - de accidentes - blijven hetzelfde. Dus het brood en de wijn ruiken, proeven, zien eruit als brood en wijn, maar dit zijn slechts de accidentes. Daaronder is er wel degelijk sprake van een 'echte' verandering. De substantie, het werkelijke, het wezenlijke, de essentie is veranderd van brood naar lichaam, van wijn naar bloed.

En soms worden kerkgangers door een wonder verrast doordat ook de accidentes van brood en wijn tijdelijk opgeheven worden. Bij zo'n wonder zien we dus ook werkelijk het lichaam en bloed van Christus. Er duiken in de katholieke kerkgeschiedenis verschillende vermeldingen van dit soort 'bloedwonderen' op, zoals bijvoorbeeld in Meerssen in 1222.

Nuance
De katholieke kerk heeft hierbij een belangrijke nuance gemaakt. Transsubstantiatie is geen onfeilbaar leerstuk, geen dogma, maar een feilbare, menselijke verwoording van het mysterie van de verandering die tijdens de eucharistie optreedt. Van alle pogingen om het gebeuren tijdens de eucharistie te verwoorden (er zijn meerdere pogingen geweest zoals bijvoorbeeld 'consubstantiatie') is de transsubstantiatie welliswaar de beste tot nu toe, aldus Johannes Paulus II in zijn Eclessia de Eucharistia, maar het blijft een mysterie dat nooit volledig adequaat beschreven kan worden.

Taal
Achter het woordje 'echt' van een 21e-eeuwse katholiek, blijkt een wereld van taal en filosofie schuil te gaan. Zoals achter al onze begrippen veronderstellingen en filosofische aannames schuil gaan. Zelfs onze meest vertrouwde en neutraal lijkende begrippen blijken hele bouwwerken van interpretatie in zich te herbergen. Ik denk aan Charles Taylors boek over 'het zelf' in moderne tijden2. Ons 'zelf' is volgens hem bijvoorbeeld puntvormig, we lokaliseren dat zelf in ons en het is onthecht. En dat alles is niet altijd zo geweest. Of dan ons begrip van het woord 'tijd' dat volgens Taylor3 is veranderd van wat hij noemt kairos naar chronos en wat een compleet andere tijdsbeleving met zich heeft meegebracht. Ik denk aan een interview met Trudy Dehue4, naar aanleiding van haar boek 'De depressie-epidemie' waarin ze betoogt dat in slechts dertig jaar het begrip depressie op ongeveer de tegenovergestelde mensen wordt geplakt: van 'mensen die het lot in eigen hand proberen te nemen' tot 'mensen die niet in staat zijn om het lot in eigen hand te nemen'. En ik denk aan het betoog van Paul van Tongeren dat er niet altijd een woord is geweest voor ons vermogen om iets te willen. De wil heeft volgens hem niet altijd bestaan, maar moest worden 'ontdekt'. En pas bij Augustinus5 gebeurt dat, al waren er bij de Grieken misschien wel vermoedens van de wil6.

Al deze filosofische dan wel taalkwesties leveren interessante vragen op. Kun je nog een goed katholiek zijn als je de ontologie van Aristoteles verwerpt? of niet kent? (Dat het uiteindelijk een 'mysterie' is, biedt hier mogelijk een uitweg.) Zeggen katholieken nog hetzelfde als zij in de 21e eeuw belijden dat op de één of andere manier een 'echte' verandering optreedt? En zeggen christenen hetzelfde als we in de 21e eeuw de drie-eenheid - drie hypostasis in één ousia - hertalen met 'drie personen'?

En is het erg als we niet hetzelfde zeggen? Interessante vragen voor de kerk van alle tijden, zo lijkt me.


------------------------------

1 Ik ontleen voor deze paragraaf veel aan Van Woudenberg's boek gelovend denken waarin hij de Grieken hieromtrent ook uitlegt.
Woudenberg, van R. 2004. '
Gelovend denken'. Buijten en Schipperheijn B.V.

2Taylor, C. 'Bronnen van het zelf'. (Rotterdam: Lemniscaat, 2e druk 2009).

3Taylor, C. 'Een seculiere tijd'. (Rotterdam: Lemniscaat, 2e druk 2010). p 107-115

4Interview met Trudy DeHue, naar aanleiding van haar boek 'De depressie-epidemie' in:

Ebbers, J. en Helder, J. (2011) "de depressie epidemie", Sophie, jrg. 1. nr. 5

5Tongeren, P.J.M. Van. 'Geluk, deugd, plicht, keuze. Acht colleges over de geschiedenis van de ethiek'. (Nijmegen: Roelants, 2007).

6Vernant, J.P. 'Intimations of the Will in Greek Tragedy. in: Vernant, J.P & Vidal-Naquet, P. (eds.), 'Myth and Tragedy in Ancient Greece'. (New York: Zone Books, 1990). p. 49-84.

zaterdag 10 september 2011

Geertsema

Een samenvatting van het artikel 'Science and person' van Geertsema. Het artikel is voor mij echt een openbaring. Voor een master moest ik het artikel samenvatten in het Engels. Helaas heb ik niet de tijd om er een Nederlandse versie (en persoonlijke reflectie) op te maken. Het blijft dus bij een Engelse samenvatting.

------------


Samenvatting Geertsema
Cartesian philosophy
An important part of Cartesian philosophy is its emphasis on objectification - that is, overcoming subjectivity by taking a third-person or 'Gods-eye' view in all matters - as a method for secure knowledge. This method of objectification however, gives rise to several problems:
  1. Since Descartes locates the mind 'in' us and we cannot be 'in' other minds, the only way to study the mind would be individual introspection. This makes knowledge of the mind in the eyes of the objectification principle, subjective and therefore unreliable. Attempts to overcome this subjectivism by only taking into regard those aspects of humankind that can be studied from a third-person perspective (behaviourism, naturalism) fail. They must somehow deny or explain away mental phenomena, that in fact have a nature of their own;
  2. One can analyse oneself. But the 'Gods-eye' point of view that one takes in order to do so cannot be the object of analysis at the same time: complete objectification always escapes the subject that is doing it, since he cannot objectify himself along the way;
  3. Viewing human behaviour from a third-person 'objective' perspective, as is done in the sciences (by pointing to the fact that humans are determined by causal relationships), leaves no room for freedom and responsibility. It thereby undermines fundamental characteristics of being a human being.

The position of Thomas Nagel (in his book 'The view from nowhere')
Thomas Nagel rejects the reduction of the mental to the physical (in terms of aspects, not of substances), which reveals a Cartesian dualism. In both realms though, objectification is what we should strive for in order to know the world as it is in itself. Nagel admits that objectification can never be total. The very fact that it steers away from subjective human experience in order to discover what is universal, implies that objectification leaves out subjective experiences and is therefore never complete. There is also another problem with objectification, namely that it is necessarily the act of a subject. Although Nagel is aware of the irreducibility of the first-person perspective, his aim is, the integration of the subjective and the objective perspective.

Critical discussion of Nagels view
Nagel points us to three general tendencies in contemporary philosophical debate about the human person:
  1. Replacing or securing our ordinary knowledge of ourselves, by scientific knowledge;
  2. A tension between ordinary knowledge of ourselves as free human agents and the view from science that deterministically explains our behaviour in terms of cause and effect;
  3. The Cartesian dualism of mind and body as a background for the interpretation of the relationship between our intuitive understanding of ourselves as subjective agents and the results of scientific research: it is understood either in a dualistic or reductionist way.

a. objectification
Nagels idea of objective knowledge contains two elements: to transcend a particular point of view and (thereby) to conceive the world as a whole. Both aren't possible: subjective experience cannot be reconstructed by objective method and objectification presupposes a subject. When the 'subjective' necessarily escapes objectification: then how does objectification conceives the world as a whole? In fact it is the other way around. Our primary, subjective experience conceives the world as a whole. Different sciences (objectifications) use specific concepts that are isolated, abstracted from the world as a whole. They are isolated in order to study that part of experience that fits the specific concepts. Because science abstracts from ordinary or subjective knowledge it can never replace it. If ordinary knowledge is the presupposition of scientific knowledge, then the results of scientific research should be integrated in this.

b. things in themselves
Nagel argues that in order to see things as they are in themselves, we should leave out 'secondary qualities' (taste, colour). These qualities depend on an observer and therefore are necessarily subjective. These secondary qualities should be explained in terms of 'cause' of the primary qualities (form, weight). But then, how complete can an objective world view be, when it leaves out the description of some consequences that first qualities have? And how can qualities that depend on perception be reduced to first qualities, while at the same time saying the the physical and the mental realm cannot be reduced to each other? It is more promising to acknowledge that things as they are in 'themselves' can never be seen apart from the relationships in which they exist and that secondary qualities are as 'objective' as the primary ones. Absolute knowledge is impossible.


c. dualism
Science gains knowledge by using specific concepts that are abstracted from reality in order to describe that segment of reality which fits the concepts. The fact that there are many sciences apart from psychology and physics that cannot be reduced to one or another, indicates that both, dualism and monistic materialism fall short by definition. We need a framework that acknowledges the large diversity of justified sciences with their own frameworks and the coherence of these seperate experiences.

d. transcendence
The method of objectification, in Nagels terms' means to 'transcend a particular point of view, in order to conceive the world as a whole'. If it is true however that objectification is bound to specific viewpoints that abstract from reality as a whole, it will never lead to an absolute conception of the world. This does not mean that we can never relate to the world as a whole, only that it cannot be done through science.
Our subjective self can not be understood correctly by the first, nor by the third-person perspective. We are born in world that already exists and we are bound to respond to other human beings that were already there. This implies the need for a another perspective: the second-person perspective. The first-person perspective of subjectivity and the third-person perspective of objectivity are preceded by the second-person perspective of responsiveness or answerability.

woensdag 27 juli 2011

Boerka, Minaret

Ik weet niet hoe ver het inmiddels staat met het boerkaverbod in Nederland. In België en Frankrijk zijn ze volgens mij al ingevoerd. Ik vind vooral het gedraai en geformuleer om het discriminatieverwijt te ontlopen interessant. Als je namelijk niet wilt dat zo'n verbod kan worden uitgelegd als discriminatie, dan moet je een reden voor zo'n maatregel zoeken in iets dat niet teruggaat op ras, religie, huidskleur, cultuur etc. Dat doen politici dan meestal ook. Zoals 'sociale veiligheid' in Nederland. Ik vind dat een mooie term. 'Sociale veiligheid'. Klinkt abstract, ingewikkeld. De gemiddelde tv kijker neem je daarmee al de wind uit de zeilen: oh ja, sociale veiligheid, dat klinkt als een gewichtige reden die we serieus moeten nemen. Maar wat is dan sociale veiligheid? Dat je in een boerka meer wapens mee kunt nemen dan in Hollandse klederdracht? Wat een onzin. Sociale veiligheid. Alsof in een sporttas of onder een trui of een wijde rok geen wapens passen. Het lijkt mij juist sociaal veiliger: voordat je een boerka helemaal omhoog hebt gehesen en een wapen eronder vandaan hebt getoverd ben je een minuut verder. En als je dat dan toch vindt dan moet je ook wijde rokken, broeken met zakken, slobbertruien, etc verbieden. Anders is de maatregel alsnog discriminerend. En als sociale veiligheid betekent 'herkenbaarheid voor cameratoezicht', dan moeten we petjes, helmen, carnavalkostuums, etc. ook verbieden.

Het is net als met het minarettenverbod. Hoe ga je dat motiveren zodat het geen discriminatie is? Zijn ze te hoog? In dat geval moeten alle kerken, flats, zendmasten ook weg. Zijn ze bont gekleurd en past dat niet in de omgeving? Dan moeten we ook tegen allerlei andere soorten gekleurde gebouwen en architectuurexpirimenten zijn. Komt er lawaai uit? Dan moeten alle kerkklokken en marktkoopmannen ook weg.

Een boerka- en minarettenverbod zijn, dat is mijn punt, niet te motiveren met een argument dat niet in wezen neerkomt op: jullie zijn anders en uitingen daarvan dat moeten wij hier niet. Het is anders, raar en daar worden we bang van. Discriminatie dus. Gewoon botte xenofobie. De formulering 'sociale veiligheid' van de VVD* laat zien dat sommigen op hun best nog hun best doen om politieke eufemismen te vinden die verhullen wat eigenlijk wordt gezegd. Maar de meeste mensen in Nederland zien, anders dan de VVD, waarschijnlijk niet eens meer een noodzaak om een niet-discriminerende formulering te vinden voor een maatregel die discriminatie inhoudt. Dat stadium zijn we, sinds Wilders salonfähig is geworden, allang voorbij.

En dan nog het feit dat 150 parlementariërs zich bezig houden met slechts evenveel boerkadragers. Het is dan ook vooral om een statement te maken dat we hier zo niet met elkaar omgaan aldus Donner. Kortom, symboolpolitiek. Net zoals heel hard roepen dat de multiculturele samenleving failliet is, dat die moet worden afgeschaft. Alsof dat iets oplost. Het is eerder andersom, het gooit olie op het vuur, kloven worden vergroot, allochtonen en Islamieten zullen zich geneigd gaan voelen om zich steeds verder in hun aangevallen identiteit terug te trekken waarmee uiteindelijk de integratie wordt verslechterd.

Af en toe dan schaam ik mij diep om Nederlander te zijn.


-----------
* Het is natuurlijk helemaal niet liberaal om mensen te gaan verbieden om een boerka te dragen. Moeten zij toch weten? Op dit verwijt heb ik het fantastische VVD-antwoord gelezen (NRC) dat andere mensen in hun vrijheid worden aangetast om iedereen onbelemmerd in het gezicht te kunnen kijken. Fantastisch, politieke retoriek op z'n best. Dit laat zien dat de term 'vrijheid' zoals ook 'gelijkheid' of 'eerlijkheid', inmiddels elk onderscheidingsvermogen en daarmee het bestaansrecht, verloren hebben. Als je een woord voor alles wat je maar wilt kunt inzetten, dan is het woord zinloos. We kunnen ze beter uit het groene boekje verbannen. In de politiek wordt zo'n woord natuurlijk dan pas interessant.

vrijdag 10 juni 2011

500 days of summer

Als een filmhoes vermeldt:

Boy meets girl.
Boy falls in love.
Girl doesn't.

Dan bekruipt de angst mij dat ik de komende anderhalf uur van mijn leven ga verspillen aan een ik-wil-ontzettend-graag-alternatief-zijn-gedrocht à la 'Juno' of 'Garden State'*. Zo'n film die zo erg probeert authentiek en alternatief te zijn dat ie uiteindelijk niet authentiek maar irritant en narcistisch wordt.

Als dan naast het genre (romcom) ook nog het indy-sfeertje met de alternatieve muziek een belangrijke rol speelt, dan is de vergelijking met genoemde films - en daarbij mijn angst - compleet. Maar gelukkig houdt de gelijkenis bij deze twee zaken op en lukt het David Webb, de regisseur, wel om de film van beide kwalijke uitersten verwijderd te houden: de makkelijke Hollywoodcliche's en de onauthentieke poging om vooral heel erg alternatief te willen zijn.

Het verhaal draait om Summer en Tom. Tom wordt mateloos verliefd, Summer blijft er wat omheen draaien, twijfelen, met bekende deconstructieve argumenten over de liefde: wat betekent dat woord eigenlijk, liefde? Stranden niet meer dan de helft van alle huwelijken? Liefde zorgt uiteindelijk voor pijn, etc. etc. In anderhalf uur volgen we daarna de vele ups en downs van de relatie. De downs komen uiteindelijk voort uit de twijfels van Summer, maar Tom met zijn mateloze verliefdheid, zijn roze bril, ziet die downs niet. Hij is in tegenstelling tot Summer helemaal van de kaart, smoorverliefd en zijn leven lijkt voorgoed verbonden met het lot van deze relatie. Hij is dan ook ziek van de uiteindelijke brake-up (die door de niet-chronologische vertelvolgorde al in het begin van de film duidelijk is).

Die roze bril van Tom... dat is misschien wel het belangrijkste thema in de film. Het eeuwige** vraagstuk van de liefde: manifesteert liefde zich in de ander; 'De Ware' waartoe het lot ons immer zal leiden? Of moeten we liefde toch eerder vergelijken met een roze bril die we zelf opzetten? En als we dat laatste denken, moeten we dan ook de relativering van het sprookje die dat met zich mee lijkt te brengen voor lief nemen? Een gemiddelde Hollywoodfilm stelt deze vraag niet (en dat is een compliment aan 500 days) door onvoorwaardelijk te kiezen voor het verhaal van De Ware. In deze films zijn mensen die zich afvragen of 'De Ware' eigenlijk wel bestaat, gewoon diegenen die De Ware blijkbaar nog niet hebben ontmoet. Misschien is de onfalsificeerbaarheid van dit geloof wel de kracht van Hollywood romcoms...

Zo niet '500 days of Summer' die via een gemodificeerde theorie van 'Een Ware' zowel recht doet aan de realiteit als aan de betovering van een grote liefde. Een eigenzinnig compromis dat tot nadenken stemt, daarbij nog even een emotionele stomp uitdelend aan iedereen die stiekem (ik) en onverbloemd (Tessa) toch nog blijken te hechten aan het verhaal van De Ware. Dit alles wordt gebracht met een frisse en vlotte regie en cameramontage die misschien op het randje van gimmicky balanceert, maar daar m.i. niet overheen gaat. Voeg daarbij de fantastische muziek van o.a. Belle&Sebastian, The Smiths en Wolfmother (in een romcom, hulde voor deze casting!) en de schoonheidsfoutjes*** die er zeker ook inzitten, worden ruimschoots gecompenseerd.



------------------
* Oh ja, Garden State, met die traumatiserende scènes, die mij altijd nog bezoeken in mijn nachtmerries. Bijvoorbeeld die scène waarin Zach Braff en consorten, gekleed in een vuilniszak heel hard in een kuil schreeuwen. Die scene waaraan je riekt dat de regisseur schijt heeft aan het plot omdat hij per se naar dat 'oh zo alternatieve' plaatje in zijn hoofd toe wil regisseren. Alleen de herinnering al doet het zuur achterin mijn mondhoeken verschijnen. Of dan die scène waarin Zak Braff - hoe symbolisch! - een gekke trui van oma krijgt in hetzelfde patroon als het ouderwetse behang. Of dan die scene met die hond in de wachtkamer van de pillendraaier, en die van de rijke vriend met een enorm huis zonder inrichting zodat ook daar weer zo'n zeer alternatief shot geschoten kan worden...

Ho, ik dwaal af.

**
Misschien is het woord 'eeuwig' hier wat anachronistisch, gezien tijdperken waarin huwen (en uithuwen) vooral werd gebaseerd op allerlei sociaal en praktisch nut. In zo'n situatie is dit dilemma natuurlijk niet echt van toepassing. Misschien is het ook anachronistisch in die zin dat projectietheorieën zoals die van de roze bril natuurlijk niet altijd hebben bestaan (Freud, anyone?).

*
Pas op de spoilers en laat ze je er niet van weerhouden om de film te gaan kijken.

1. slechte openingsscène die je in eerste instantie op het verkeerde been zet: komt er een 'Rain man' kloon over autisme aan? Het blijkt van niet, terwijl autisme toch echt de enige rechtvaardiging kan zijn voor deze scene.
2. een klein zusje en twee slungelige vrienden die met respectievelijk schattigheid en komische momenten als bliksemafleiders moeten fungeren. Dat Hollywood element hadden ze moeten dumpen.
3. een verwijzing naar Bergmans 'Seventh Seal' (en naar het schijnt ook Fellini, maar die heb ik er niet uit gehaald) die echt volledig in de lucht hangt en daardoor wat pretentieus overkomt.

vrijdag 29 april 2011

Meesters van het wantrouwen

'Meesters van het wantrouwen', zo noemt Theo de Boer, Marx, Freud en Nietzsche. Filosofen die elk op hun eigen manier aan de stoelpoten van onze moraal hebben gezaagd door deze te reduceren tot iets anders. Haar ware aard te ontmaskeren. Een ware aard die volgens hen meestal iets banaals inhoudt. Banaler in ieder geval dan hoe onze naïeve, christelijke/verlichte duiding het ons normaliter ingeeft: zelfopoffering, goedheid, liefde, trouw, plichtsbesef etc.
Nietzsche reduceert moraal tot de machtswellust van de zwakken, Freud tot ongecontroleerde driften uit het onderbewuste, Marx tot economie. Via deze reducerende perspectieven, die zeggen dat de moraal - bij goed nadenken- eigenlijk iets anders is dan wat het is, nestelt zich in onze hoofden het wantrouwen waar Theo de Boer over spreekt. Is de moraal wel wat ze zegt dat ze is?

Ben ik werkelijk vrijgevig of zit daar een welbegrepen eigenbelang achter?
Doe ik het goede om mij over mezelf te kunnen verheugen? En is het dan nog goed?
Ben ik oprecht moreel verwonderd over inhaligheid van allerlei veelverdieners, of ben ik jaloers dat ik zelf niet hoger aan de top zit?
Volg ik mijn geweten of mijn onderbewuste 'Über-ich' die zich in mijn leven heeft ontwikkeld via belongin/straf van opvoeders?

Waar een antwoord op deze vragen gegeven wordt, kan worden getwijfeld. Zoals bij alle antwoorden. Het gevolg is dat je niet meer weet wie of wat je vindt, gelooft, bent*.

Ik
Meesters van het wantrouwen dus... Dat vind ik een mooie term. Als ik zo vrij mag zijn, denk ik dat ik last heb van een nog een hele batterij aan dit soort 'meesters' die onthechte, reductionistische perspectieven loslaten op allerlei naïeve ervaringen:
  • Darwin, dan wel het neodarwinisme dat tegenwoordig aardig slaagt in een poging om alles te herleiden tot survivaltactiek. Liefde, moraal, religie, economie, het shop-gedrag van vrouwen, noem het maar op;
  • Grunberg doet zijn plasje over het 'het verrukkelijke glijmiddel genaamd sentiment' (Fantoompijn, 2000). Sentiment als een goedkope, geconstrueerde emotie zodat de alledaagse zinloosheid en ellende er wat beter in glijden;
  • Rutger "wie wat vindt heeft slecht gezocht" Kopland die met dit ene zinnetje een altijd durende postmoderne twijfel zaait bij alles waarin ik geloof. Zijn er niet miljoenen dingen waarin je kunt geloven? Elk met argumenten?
  • En de irritantste is misschien nog wel Dick Swaab als symbool voor 'de wetenschap' die niet zelden meent dat alles eigenlijk fysisch is en te verklaren via neurobiologische dan wel natuurkundige wetten. Ik ben niet verliefd, ik handel niet moreel, maar ik ben onder invloed van hormoon x in combinatie met een aangeboren vermogen tot empathie in de prefrontale cortex.
Joachim fladdert met zijn armen en straalt van blijdschap als ik thuiskom, maar ik voel het intense geluk op zijn best vermengd met achterdocht en relativering op basis van Grunberg, Darwin of neurobiologie. Op zijn slechtst gaat het intense geluk ten onder. Niet eens zozeer aan een overwinning van Darwin of Grunberg, als wel aan de vermoeidheid die de interne strijd me oplevert.

Ik wil hartstochtelijk het goede najagen. Mezelf verloochenen voor een hogere zaak. Maar Rutger Kopland is daar altijd om in mijn oor te slissen, dat als je zo'n zaak hebt gevonden, je niet goed hebt gezocht. En daar zit wat in.

Ik wil intens dankbaar zijn voor Joachim, intens dankbaar voor Tessa en alles wat me toevalt in dit leven. Voor mensen die goed voor mij zijn, voor God die alles geeft. Maar Nietzsche fileert de dankbaarheid door haar te herleiden tot wraak. Wraak op iemand die door een goede daad morele macht over jou heeft verkregen. Macht die je terug wilt. En daar zit wat in.

Ik wil vast geloven, Jezus volgen, niet oordelen, niet de eerste steen werpen, geraakt worden door een kerkdienst, God danken, oprecht bidden. Maar als er één fenomeen heeft moeten lijden onder reductionistische, alternatieve verklaringen dan is het wel godsdienst. En vaak zit hier wel wat in.

Ondertussen is er voor mij geen enkele naïeve, onbemiddelde, ervaring meer over. Ze zijn allemaal verpest, door een of andere onthechte redenering op basis van één van deze 'meesters van het wantrouwen'. Alle ervaringen worden door mij gewantrouwd, bediscussieerd en gewogen. De enige oprechte ervaring die overblijft is de depressiviteit die het gevolg is van al die interne strijd en twijfel over wat ik nu wil, wie ik nu ben, wat ik nu echt geloof. Depressiviteit, melancholie, hoofdpijn, dat kan ik niet reduceren tot iets anders dat in mijn ogen minder hoog staat, zoals dat wel lukt bij goedheid, liefde, trouw, sentiment, geloof etc. Ik kan het hoogstens herleiden tot neurobiologie, maar dat maakt mij een slachtoffer. Dat past daar juist bij en reduceert dus niet echt.

Alhoewel, reduceert niets. Is het niet zo dat ik diep van binnen de depressieve buien en de melancholie eigenlijk wel prima vind? Dat ik de depressie juist wil omdat het toch ook wel ergens romantisch en heldhaftig is om te lijden aan je eigen denken. Lijden aan denken dat nooit stopt, nooit ergens een 'crime stop' toestaat zodat je kunt rusten. Ten onder gaan aan je eigen genadeloze denken, zoals ik me kan voorstellen dat de fatale krankzinnigheid van Nietzsche wel veroorzaakt móet zijn door zijn eigen genadeloze denken.
Die meester.

--------------------------
*Je bent dus pas jezelf, als je geen vragen over jezelf stelt.

vrijdag 8 april 2011

Quantum of Solace

Yes!!

Voor het eerst na 603 films een film gezien die begint met de letter 'Q'.

Het klinkt alsof het heel zeldzaam is om pas na zo'n groot aantal films een film te zien die met de letter Q begint. Ik heb immers niet expres films met beginletter 'Q' gemeden. Maar bij nader inzien, is het misschien toch lastiger om dat zomaar te zeggen.

Om erachter te komen hoe groot of klein de kans is om pas na 603 films een film met beginletter 'Q' te zien, moet je weten hoe snel je in de taal een woord met de letter 'Q' tegenkomt. Je kunt natuurlijk niet zomaar zeggen dat die kans 1/26 is omdat ons alfabet 26 letters heeft. Woorden die beginnen met de letter Q zijn immers zeldzamer dan andere woorden.

En waarschijnlijk heb ik een relatief groot aandeel Nederlandse films gezien, terwijl het Nederlands gemiddeld minder woorden met de Q heeft dan het Engels. Dat maakt de berekening een stuk lastiger. En wat te zeggen van allerlei Scandinavische films? Kortom: om erachter te komen hoe bijzonder (of niet) het is dat ik pas na 603 films een film met de beginletter Q heb gezien, zou ik dus van allerlei talen, waarin ik films heb gezien, moeten weten hoe zeldzaam woorden met de letter 'Q' daarin zijn. En Japanse films dan? Arabische, Russische, Chinese films? Die hebben überhaupt geen Q vanwege een compleet ander schrift. Tenzij natuurlijk weer vertaald in een taal met een alfabet dat wel de Q bevat. En wat dan als je een woord op meerdere manieren kan vertalen, waaronder 1 optie met en 1 zonder Q? Of concludeer je gewoon dat een film in een taal met een ander schrift niet met de letter Q begint?

Lastig hoor.

Ondanks deze discussie moet ik zeggen dat het feit dat ik nu eindelijk een film met de beginletter 'Q' gezien heb, best wel bevrijdend is. Toen ik erachter kwam dat ik na 600-zoveel films nog steeds geen film beginnend met de letter 'Q' had gezien, heb ik daar naarstig naar gezocht. Ik was wel benieuwd naar 'Quo Vadis'. De bieb had 'Quo Vadis' echter niet, maar toen ik enige tijd later in de bieb was om een andere film op te halen, die ik had gereserveerd, kwam ik toevallig wel 'Quantum of Solace' tegen. Op de voorste rij. Die 'Q' stond daar zo verblindend te stralen, dat ik het niet kon laten om 'm mee te nemen. Dus dat heb ik toen maar gedaan. Eenmaal thuisgekomen ontstond een volgend dilemma: welke film kijk ik nu eerst? 'Quantum of Solace', of die andere film die ik had gereserveerd? Dit zou wel gevolgen hebben voor de statistiek, want als ik eerst die andere film had gekeken, dan had ik niet na 603, maar pas na 604 films een film met de beginletter 'Q' gekeken.

Nog bijzonderder!

Maar dat vond ik een beetje oneerlijk, dus heb ik 'Quantum of Solace' maar gelijk gekeken. Hoewel het eigenlijk ook oneerlijk is dat ik nu expres heb gezocht naar een film met de 'Q'. Dit heeft de boel eigenlijk al een beetje bedorven, want wie weet hoeveel films ik nog gekeken zou hebben zonder beginletter 'Q' als ik er niet specifiek naar één had gezocht?

Trouwens - zo bedenk ik me ineens - als de film 'The Queen' telt als een film met beginletter 'Q' dan heb ik eerder al een film gezien met de beginletter 'Q'.

Dan had ik ook 'Quantum of Solace' niet hoeven te gaan kijken.

Shit.